[Continuing where we left off here: https://puritanboard.com/threads/ko...ssary-concerning-the-feast-days.115170/page-6 Koelman addresses the first objection, which is the rule of the Synod of Dordt to observe the feasts.]
Zoo besluit ik dan nu / nademaal uit alle de voorgestelde redenen klaarlijk blijkt / hoe ongegrondt / onnut ja schadelijk en ergerlijk de onderhouding van die dagen is / en uit dit laatste bewijs oogenschijnlijk te zien is / dat de beste Kerken en Leeraars sint de tijdt van Reformatie de afschaffing der Feestdagen hebben gewenscht en goet gekeurt. Dat dan mijn Waarschouwing dient plaats gegeven te worden / dat men {139} niet mocht blijven hangen aan de onderhouding van die genaamde Feestdagen / maar in tegendeel / dat elk behoort na zijn vermogen daar toe te arbeyden / dat die onderhouding dier dagen effectivelijk wierde geweert.
Therefore, I now decide, since from all the aforementioned reasons it clearly appears how unfounded, useless, indeed harmful and offensive the observance of those days is, and from this last proof it is evidently seen that the best Churches and Ministers since the time of the Reformation have wished for and approved the abolition of the Feast Days: that thus my Warning must be issued, so that one might not remain attached to the observance of those so-called Feast Days, but on the contrary, that each ought to labour according to his ability towards this – that the observance of those days be effectively prevented.
Maar nademaal ik weet / dat ’er veele Schijuredenen, van vescheidene worden voortgebracht; dewelke eenige kleinwetende zouden kunnen verzetten / zoo zal ik die Tegenwerpingen nu gaan oplossen. “d’ Eerste Tegenwerping” en de voornaamste is deze. Het laatste Synode Nationaal van Dordrecht, gehouden in den Jare 1618, en 1619. heeft dit zoo goet en nuttig gevonden, en geordonneert, dat men de Feestdagen zal onderhouden: Want zoo luidt den Artikel, (k) “Dat de Gemeinten boven de heyliging van den Sabbathdagh, ook onderhouden het Feest van des Heeren Geboorte, injgelijks van Paasschen, en Pinxteren, met den volgenden Dag. En overmits daar en boven de dagen van de Besnijdenis, en Hemelvaart des Heeren, in de meeste Steden en Provincien van Nederlandt geheiligt worden; zoo laat de Dienaars der Kerken, die noch deze gewoonte niet en hebben, by de Overbeit moeite aanwenden, op dat het haar geoorloft zy, zich met de andere te conformeeren.” Nu dit Synode zijn alle Leeraars gehouden op te volgen, desselfs Canones en Ordonnantien zou niemant verwerpen, als wetende, dat Synodale Orders en Regelen een godlijke Authoriteyt hebben, en de Conscientien verbinden.
(k) Art. 67. Van de Kerkenorder.
But since I know that many specious reasons, brought forth by various people, could be raised by some of limited knowledge, I will now proceed to resolve those objections.
The First Objection, and the principal one, is this: The last National Synod of Dordrecht, held in the years 1618 and 1619, found this so good and useful, and ordained that the Feast Days shall be observed. For so states the Article, (k) “That the congregations, beyond the sanctification of the Sabbath day, shall also observe the Feast of the Lord’s Birth, likewise of Easter and Pentecost, with the following day. And furthermore, since the days of the Lord’s Circumcision and Ascension are also sanctified in most Cities and Provinces of the Netherlands; therefore, the Ministers of the churches which do not yet have this custom shall endeavour with the Magistrate, so that it may be permitted for them to conform with the others.”
Now, all ministers are bound to obey this Synod; no one would reject its Canons and Ordinances, knowing that Synodal Orders and Rules have a divine authority and bind the consciences.
(k) Article 67 of the Church Order.
Hier op antwoorde ik de navolgende dingen. Voor eerst, in ’t gemeen. De macht der Synoden is bedienende; zoo dat geen Synode iets kan gebieden ’t geen met Godts Wet niet over een komt / en ergernis geeft; geen Synode kan iets geoorloft maken / ofte nuttig / veel min noodig / en als zoodanig opleggen / ’t geen aanstoot en schijn van quaat geeft; geen Synode kan de natuur der zaaken/ door haar besluyten veranderen; ook niet ’t geen middelmatigh was / noodigh maaken, maar als iets noodigh wordt / dat middelmatig {140} was / zoo was het alzoo voor het Synodaal besluit; gelijk het noodige dingen waren / die ’t Synode van Jerusalem besloot en opleyde / hoewel ’t eten ’t bloet / en ’t verstikte / eerst vry stondt; maar Godt maakte het nalaten van dien noodigh / door die omstandigheden / waar in zy waren / Hand. 15: vers 28. Nademaal dan nu gebleken is / uit de bovenstaande Bewijzen / wat quaat daar is in de onderhouding der Feestdagen / zoo kunnen geen Synoden door haar besluiten dat geoorloft / veel min noodig maken, onze Conscienty is aan ’t Woordt gebonden; en de regelen der Synoden binden de Conscientien / (l) voor zoo veel zy met het Woordt over een komen / en daar uit genoomen zijn.
(l) Vide Voetii Polit. Eccles. Part. I. Lib. I. P. 263.
To this I answer the following things.
First, in general. The power of Synods is ministerial, so that no Synod can command anything that does not agree with God’s Law and gives offence. No Synod can permit something as useful, much less necessary, and impose it as such, if it gives offence and the appearance of evil. No Synod can change the nature of things through its decrees, nor can it make necessary something that was merely moderate; for if something that was moderate becomes necessary, then it was so before the Synodal decree. Just as the things that were necessary were those which the Synod of Jerusalem decided and imposed, although eating blood and that which was strangled was previously free; but God made the abstaining from it necessary due to those circumstances in which they were, Acts 15:28.
Since, therefore, it has now been shown from the above proofs what evil there is in the observance of the Feast Days, no Synods can through their decrees make that permitted, much less necessary. Our conscience is bound to the Word; and the rules of Synods bind the consciences (l) only insofar as they agree with the Word, and are drawn from it.
(l) See Voetius, Ecclesiastical Polity, Part I, Book I, p. 263.
Ten anderen. Tegen dit laatste Synode magh men stellen / het eerste Synode gehouden in ’t Jaar. 1574. waar in / gelijk wy gehoort hebben / belast wiert volgens Gods Woort / geen Feestdagen te houden / en met den Rustdag alleen te vreden te zijn; doen waren onze Neerlantsche Gereformeerde Kerken in haar eerste liefde / en dienvolgens in haar besten staat; Daar na in de volgende Synoden is dien Regel wel merkelijk verandert / doch niet dat het gevoelen der Theologanten verandert wierdt / maar zy wierden zonderling gedwongen / die verandering in te brengen; Dat drukt de (m) geleerde Voetius aldus uit; Die onderhouding van die dagen, zegt hy / hebben onze Synoden niet van zelfs begeert, noch ingestelt, om datse een beter weg, en meer stichting daar in zagen, ofte daar van verwachteden; maar wegens de opgeleyde noodzaaklijkheidt door de Overheidt en het Volk, als zy na alles getenteert te hebben, en de onderhouding al na gelaten, en een Synodaal besluit in ’t Jaar. 1574. gemaakt te hebben, dezelve doen ter tijdt niet konden afschaffen, zoo hebben zy die onderhouding in ’t Jaar 1578. toegelaten, en ingebonden, zoo veer als zy konden; niet te min hebben zy ook aldaar haren wensch en zin, nopende {141} de betere en veyliger weg, in de niet onderhouding, verklaart. Welke verklaring zy in ’t Jaar 1581. in ’t Synode Nationael van Middelburg niet hebben herhaalt; dewijl zy zagen datse niets zouden vorderen, en dat die afschaffing meer konde gewenscht dan gehoopt worden. Uit dit historisch Verhaal, genomen uit de Acten, en Regelen van de dry evenaangehaalde Synoden, mein ik dat genogzaam blijkt, dat de Neerlantsche Kerken, met haar Theologanten, geensins hebben getwijffelt, ofte gewankelt, ofte zich zelven tegen gesprooken, ofte haar gevoelen verandert, nopende de noodtzaaklijkheidt ofte nuttigheit van die onderhouding (want zoo ongeleert en onvast waren die uitnemende Neerlantsche Theologanten niet, van welke de voornaamste uit de School van Geneven gekomen waren, maar datse by gelegentheidt van de tegenwoordige staat der zaken in Kerk, en Politie, eenige onderhouding hebben ingelaaten, en dezelve zoo veel zy konden, hebben bepaalt, en ingetrokken. Aldus schijnt dan nu Synode tegen Synode te zijn / en Regel tegen Regel / gelijk men ziet dat die van Gereformeerde en Papisten / voor en tegen / wordt hijgebracht: Maar zeght (n) Voetius, de verzoening zal licht zijn, indien men tijden van tijden, en een eygenwillige en goedtkeurende inlating, van een toelatende ofte verdragende onderscheidt.
(m) Dispp. Select. Part. III. Pag. 1344, 1345.
(n) Ubi supra, Pag. 1341.
Secondly. Against this last Synod one may set the first Synod held in the year 1574, in which, as we have heard, it was commanded according to God’s Word to keep no Feast Days and to be content with the Rest Day alone. Then our Dutch Reformed Churches were in their first love, and consequently in their best state. Afterwards in the following Synods that rule was noticeably altered, yet not because the opinion of the theologians was changed, but they were particularly forced to introduce that change.
The (m) learned Voetius expresses it thus: “The observance of those days,” says he, “our Synods did not desire of themselves, nor institute, because they saw a better way and more edification therein, or expected it therefrom; but due to the imposed necessity by the Magistracy and the People, when after having attempted everything, and having already abandoned the observance, and having made a Synodal decree in the year 1574, they could not at that time abolish it, so they permitted and bound that observance in the year 1578, as far as they could. Nevertheless they also there declared their wish and mind, concerning the better and safer way, in the non-observance; which declaration they did not repeat in the year 1581 in the National Synod of Middelburg, since they saw that they would accomplish nothing, and that the abolition could be more wished for than hoped for. From this historical account, taken from the Acts and Rules of the three aforementioned Synods, I think it sufficiently appears that the Dutch Churches, with their theologians, did not at all doubt, or waver, or contradict themselves, or change their opinion, concerning the necessity or usefulness of that observance (for those outstanding Dutch theologians were not so unlearned and unsteady, the foremost of whom had come from the School of Geneva), but that on occasion of the present state of affairs in Church and Polity, they allowed some observance, and as far as they could, have defined and restricted it.”
Thus then it now seems that Synod is against Synod, and Rule against Rule, just as one sees that of the Reformed and Papists, for and against, is brought forward. But says (n) Voetius, “the reconciliation will be easy, if one distinguishes times from times, and a self-willed and approving admission from a permitting or tolerating one.”
(m) Select Disputations, Part 3, Pages 1344-1345.
(n) As cited above, Page 1341.
Zoo besluit ik dan nu / nademaal uit alle de voorgestelde redenen klaarlijk blijkt / hoe ongegrondt / onnut ja schadelijk en ergerlijk de onderhouding van die dagen is / en uit dit laatste bewijs oogenschijnlijk te zien is / dat de beste Kerken en Leeraars sint de tijdt van Reformatie de afschaffing der Feestdagen hebben gewenscht en goet gekeurt. Dat dan mijn Waarschouwing dient plaats gegeven te worden / dat men {139} niet mocht blijven hangen aan de onderhouding van die genaamde Feestdagen / maar in tegendeel / dat elk behoort na zijn vermogen daar toe te arbeyden / dat die onderhouding dier dagen effectivelijk wierde geweert.
Therefore, I now decide, since from all the aforementioned reasons it clearly appears how unfounded, useless, indeed harmful and offensive the observance of those days is, and from this last proof it is evidently seen that the best Churches and Ministers since the time of the Reformation have wished for and approved the abolition of the Feast Days: that thus my Warning must be issued, so that one might not remain attached to the observance of those so-called Feast Days, but on the contrary, that each ought to labour according to his ability towards this – that the observance of those days be effectively prevented.
Maar nademaal ik weet / dat ’er veele Schijuredenen, van vescheidene worden voortgebracht; dewelke eenige kleinwetende zouden kunnen verzetten / zoo zal ik die Tegenwerpingen nu gaan oplossen. “d’ Eerste Tegenwerping” en de voornaamste is deze. Het laatste Synode Nationaal van Dordrecht, gehouden in den Jare 1618, en 1619. heeft dit zoo goet en nuttig gevonden, en geordonneert, dat men de Feestdagen zal onderhouden: Want zoo luidt den Artikel, (k) “Dat de Gemeinten boven de heyliging van den Sabbathdagh, ook onderhouden het Feest van des Heeren Geboorte, injgelijks van Paasschen, en Pinxteren, met den volgenden Dag. En overmits daar en boven de dagen van de Besnijdenis, en Hemelvaart des Heeren, in de meeste Steden en Provincien van Nederlandt geheiligt worden; zoo laat de Dienaars der Kerken, die noch deze gewoonte niet en hebben, by de Overbeit moeite aanwenden, op dat het haar geoorloft zy, zich met de andere te conformeeren.” Nu dit Synode zijn alle Leeraars gehouden op te volgen, desselfs Canones en Ordonnantien zou niemant verwerpen, als wetende, dat Synodale Orders en Regelen een godlijke Authoriteyt hebben, en de Conscientien verbinden.
(k) Art. 67. Van de Kerkenorder.
But since I know that many specious reasons, brought forth by various people, could be raised by some of limited knowledge, I will now proceed to resolve those objections.
The First Objection, and the principal one, is this: The last National Synod of Dordrecht, held in the years 1618 and 1619, found this so good and useful, and ordained that the Feast Days shall be observed. For so states the Article, (k) “That the congregations, beyond the sanctification of the Sabbath day, shall also observe the Feast of the Lord’s Birth, likewise of Easter and Pentecost, with the following day. And furthermore, since the days of the Lord’s Circumcision and Ascension are also sanctified in most Cities and Provinces of the Netherlands; therefore, the Ministers of the churches which do not yet have this custom shall endeavour with the Magistrate, so that it may be permitted for them to conform with the others.”
Now, all ministers are bound to obey this Synod; no one would reject its Canons and Ordinances, knowing that Synodal Orders and Rules have a divine authority and bind the consciences.
(k) Article 67 of the Church Order.
Hier op antwoorde ik de navolgende dingen. Voor eerst, in ’t gemeen. De macht der Synoden is bedienende; zoo dat geen Synode iets kan gebieden ’t geen met Godts Wet niet over een komt / en ergernis geeft; geen Synode kan iets geoorloft maken / ofte nuttig / veel min noodig / en als zoodanig opleggen / ’t geen aanstoot en schijn van quaat geeft; geen Synode kan de natuur der zaaken/ door haar besluyten veranderen; ook niet ’t geen middelmatigh was / noodigh maaken, maar als iets noodigh wordt / dat middelmatig {140} was / zoo was het alzoo voor het Synodaal besluit; gelijk het noodige dingen waren / die ’t Synode van Jerusalem besloot en opleyde / hoewel ’t eten ’t bloet / en ’t verstikte / eerst vry stondt; maar Godt maakte het nalaten van dien noodigh / door die omstandigheden / waar in zy waren / Hand. 15: vers 28. Nademaal dan nu gebleken is / uit de bovenstaande Bewijzen / wat quaat daar is in de onderhouding der Feestdagen / zoo kunnen geen Synoden door haar besluiten dat geoorloft / veel min noodig maken, onze Conscienty is aan ’t Woordt gebonden; en de regelen der Synoden binden de Conscientien / (l) voor zoo veel zy met het Woordt over een komen / en daar uit genoomen zijn.
(l) Vide Voetii Polit. Eccles. Part. I. Lib. I. P. 263.
To this I answer the following things.
First, in general. The power of Synods is ministerial, so that no Synod can command anything that does not agree with God’s Law and gives offence. No Synod can permit something as useful, much less necessary, and impose it as such, if it gives offence and the appearance of evil. No Synod can change the nature of things through its decrees, nor can it make necessary something that was merely moderate; for if something that was moderate becomes necessary, then it was so before the Synodal decree. Just as the things that were necessary were those which the Synod of Jerusalem decided and imposed, although eating blood and that which was strangled was previously free; but God made the abstaining from it necessary due to those circumstances in which they were, Acts 15:28.
Since, therefore, it has now been shown from the above proofs what evil there is in the observance of the Feast Days, no Synods can through their decrees make that permitted, much less necessary. Our conscience is bound to the Word; and the rules of Synods bind the consciences (l) only insofar as they agree with the Word, and are drawn from it.
(l) See Voetius, Ecclesiastical Polity, Part I, Book I, p. 263.
Ten anderen. Tegen dit laatste Synode magh men stellen / het eerste Synode gehouden in ’t Jaar. 1574. waar in / gelijk wy gehoort hebben / belast wiert volgens Gods Woort / geen Feestdagen te houden / en met den Rustdag alleen te vreden te zijn; doen waren onze Neerlantsche Gereformeerde Kerken in haar eerste liefde / en dienvolgens in haar besten staat; Daar na in de volgende Synoden is dien Regel wel merkelijk verandert / doch niet dat het gevoelen der Theologanten verandert wierdt / maar zy wierden zonderling gedwongen / die verandering in te brengen; Dat drukt de (m) geleerde Voetius aldus uit; Die onderhouding van die dagen, zegt hy / hebben onze Synoden niet van zelfs begeert, noch ingestelt, om datse een beter weg, en meer stichting daar in zagen, ofte daar van verwachteden; maar wegens de opgeleyde noodzaaklijkheidt door de Overheidt en het Volk, als zy na alles getenteert te hebben, en de onderhouding al na gelaten, en een Synodaal besluit in ’t Jaar. 1574. gemaakt te hebben, dezelve doen ter tijdt niet konden afschaffen, zoo hebben zy die onderhouding in ’t Jaar 1578. toegelaten, en ingebonden, zoo veer als zy konden; niet te min hebben zy ook aldaar haren wensch en zin, nopende {141} de betere en veyliger weg, in de niet onderhouding, verklaart. Welke verklaring zy in ’t Jaar 1581. in ’t Synode Nationael van Middelburg niet hebben herhaalt; dewijl zy zagen datse niets zouden vorderen, en dat die afschaffing meer konde gewenscht dan gehoopt worden. Uit dit historisch Verhaal, genomen uit de Acten, en Regelen van de dry evenaangehaalde Synoden, mein ik dat genogzaam blijkt, dat de Neerlantsche Kerken, met haar Theologanten, geensins hebben getwijffelt, ofte gewankelt, ofte zich zelven tegen gesprooken, ofte haar gevoelen verandert, nopende de noodtzaaklijkheidt ofte nuttigheit van die onderhouding (want zoo ongeleert en onvast waren die uitnemende Neerlantsche Theologanten niet, van welke de voornaamste uit de School van Geneven gekomen waren, maar datse by gelegentheidt van de tegenwoordige staat der zaken in Kerk, en Politie, eenige onderhouding hebben ingelaaten, en dezelve zoo veel zy konden, hebben bepaalt, en ingetrokken. Aldus schijnt dan nu Synode tegen Synode te zijn / en Regel tegen Regel / gelijk men ziet dat die van Gereformeerde en Papisten / voor en tegen / wordt hijgebracht: Maar zeght (n) Voetius, de verzoening zal licht zijn, indien men tijden van tijden, en een eygenwillige en goedtkeurende inlating, van een toelatende ofte verdragende onderscheidt.
(m) Dispp. Select. Part. III. Pag. 1344, 1345.
(n) Ubi supra, Pag. 1341.
Secondly. Against this last Synod one may set the first Synod held in the year 1574, in which, as we have heard, it was commanded according to God’s Word to keep no Feast Days and to be content with the Rest Day alone. Then our Dutch Reformed Churches were in their first love, and consequently in their best state. Afterwards in the following Synods that rule was noticeably altered, yet not because the opinion of the theologians was changed, but they were particularly forced to introduce that change.
The (m) learned Voetius expresses it thus: “The observance of those days,” says he, “our Synods did not desire of themselves, nor institute, because they saw a better way and more edification therein, or expected it therefrom; but due to the imposed necessity by the Magistracy and the People, when after having attempted everything, and having already abandoned the observance, and having made a Synodal decree in the year 1574, they could not at that time abolish it, so they permitted and bound that observance in the year 1578, as far as they could. Nevertheless they also there declared their wish and mind, concerning the better and safer way, in the non-observance; which declaration they did not repeat in the year 1581 in the National Synod of Middelburg, since they saw that they would accomplish nothing, and that the abolition could be more wished for than hoped for. From this historical account, taken from the Acts and Rules of the three aforementioned Synods, I think it sufficiently appears that the Dutch Churches, with their theologians, did not at all doubt, or waver, or contradict themselves, or change their opinion, concerning the necessity or usefulness of that observance (for those outstanding Dutch theologians were not so unlearned and unsteady, the foremost of whom had come from the School of Geneva), but that on occasion of the present state of affairs in Church and Polity, they allowed some observance, and as far as they could, have defined and restricted it.”
Thus then it now seems that Synod is against Synod, and Rule against Rule, just as one sees that of the Reformed and Papists, for and against, is brought forward. But says (n) Voetius, “the reconciliation will be easy, if one distinguishes times from times, and a self-willed and approving admission from a permitting or tolerating one.”
(m) Select Disputations, Part 3, Pages 1344-1345.
(n) As cited above, Page 1341.